In zijn column <em>Banenmachines</em> in NRC beschrijft natuurkundige Robbert Dijkgraaf (opent in nieuw venster) hoe technologische doorbraken keer op keer hetzelfde patroon volgen. De stoommachine maakte kolen niet overbodig — het kolenverbruik explodeerde. De spreadsheet maakte de boekhouder niet werkloos — de vraag naar financiële analyses verveelvoudigde. De digitale camera beëindigde niet het fotograferen — er worden nu in één minuut meer foto's genomen dan in de gehele negentiende eeuw. Dijkgraaf vat het samen met de paradox van de Britse econoom William Stanley Jevons (opent in nieuw venster) uit 1865: wanneer technologie iets efficiënter en goedkoper maakt, stijgt het gebruik zo explosief dat de totale vraag groeit in plaats van daalt.
Dijkgraaf (opent in nieuw venster) trekt de lijn door naar AI en radiologen. Maar een belangrijk voorbeeld laat hij onbesproken: de programmeur. Want terwijl de wereld druk debatteert over de vraag of AI de programmeur overbodig maakt, gebeurt er op de werkvloer iets heel anders. Backlogs puilen uit. Vacatures blijven maandenlang open staan. En de programmeurs die er wél zijn, gebruiken AI niet om zichzelf weg te automatiseren, maar om eindelijk toe te komen aan het werk dat al jaren op de plank lag.
Dit is geen theoretisch betoog. Dit is de werkelijkheid van iedereen die software laat bouwen in 2026. En die werkelijkheid laat iets anders zien dan de doemscenario's doen geloven.
De mythe van de lege backlog
Laten we beginnen met de feiten. Het wereldwijde tekort aan softwareontwikkelaars is volgens IDC gestegen van 1,4 miljoen in 2021 naar zo'n 4 miljoen in 2025 (opent in nieuw venster). Het U.S. Bureau of Labor Statistics voorspelt een groei van 17 procent in de vraag naar softwareontwikkelaars tussen 2023 en 2033 (opent in nieuw venster) — ruim twee keer het gemiddelde van alle beroepen in de Verenigde Staten. En dat zijn geen abstracte projecties: 87 procent van de bedrijven meldt dat zij nu al kampen met een tekort aan ontwikkelingscapaciteit. (opent in nieuw venster)
Wie dagelijks met software teams werkt, herkent dit onmiddellijk. De backlog — de lijst met gewenste functionaliteiten, verbeteringen, integraties en nieuwe producten — is bij de meeste organisaties niet een nette takenlijst. Het is een kerkhof van goede ideeën die nooit gerealiseerd werden. Niet omdat ze geen waarde hadden, maar omdat er simpelweg niet genoeg handen waren om ze te bouwen.
Bij Alpina Group, waar ik verantwoordelijk ben voor de online labels, ken ik dit uit eerste hand. We beheren meer dan dertig berekenfunnels voor vier online verzekeringsmerken. Achter elk van die funnels ligt een lijst met verbeteringen die de klanttevredenheid zou verbeteren, conversie zou verhogen, de processen zou versnellen. En achter dáár ligt nog een lijst met compleet nieuwe producten, functionaliteiten en diensten die we zouden willen bouwen. De capaciteit om dat allemaal te realiseren is er nooit geweest. Tot nu toe.
AI als stoommachine voor de backlog
Wat gebeurt er wanneer je een programmeur uitrust met AI-tools zoals GitHub Copilot, Claude of Cursor? Precies wat Jevons voorspelde. De programmeur wordt niet overbodig — de programmeur wordt efficiënter. En die efficiëntie creëert ruimte voor meer werk, niet voor minder werkers.
De cijfers spreken voor zich. GitHub Copilot heeft inmiddels meer dan 20 miljoen gebruikers (opent in nieuw venster) en is geadopteerd door 90 procent van de Fortune 100-bedrijven. Ontwikkelaars voltooien taken tot 55 procent sneller (opent in nieuw venster). De doorlooptijd van pull requests — het moment waarop code door collega's wordt beoordeeld en samengevoegd — daalde van gemiddeld 9,6 dagen naar 2,4 dagen (opent in nieuw venster). En inmiddels wordt zo'n 46 procent van alle code in projecten met Copilot door AI gegenereerd.
Maar hier is het cruciale punt: bedrijven die deze tools invoeren, ontslaan hun ontwikkelaars niet. Ze breiden hun teams uit. Zoals de CEO van GitHub het verwoordde: AI versnelt de productiviteit en creëert daarmee meer backlog, niet minder. Teams die sneller kunnen leveren, krijgen meer verzoeken. Projecten die voorheen 'te duur' of 'te complex' waren, worden plotseling haalbaar. En dus groeit de vraag.
Dit is Jevons in zijn puurste vorm. De stoommachine maakte kolen niet overbodig — ze maakte kolen zo nuttig dat de wereld er oneindig veel meer van wilde. AI maakt programmeurs niet overbodig — het maakt software (opent in nieuw venster) zo bereikbaar dat de wereld er oneindig veel meer van wil.
Het tegengeluid: de laatste generatie programmeurs
Ik zou geen eerlijk betoog schrijven als ik het tegenargument niet serieus zou nemen. Want het is krachtig, en het verdient aandacht.
De pessimisten wijzen erop dat de Jevons-paradox bij programmeren fundamenteel anders werkt dan bij kolen of textiel. Bij eerdere technologische doorbraken bleef menselijke arbeid nodig om de extra productie te realiseren. Iemand moest de fabriek bedienen, de confectie naaien, de röntgenscan beoordelen. Maar bij programmeren — zo luidt het argument — is de AI die code efficiënter maakt, dezelfde AI die de extra code óók kan produceren. Er zou geen bottleneck zijn die menselijke programmeurs onmisbaar maakt.
Dit argument wordt versterkt door de analogie met schaken die Dijkgraaf in zijn column beschrijft. De combinatie van mens en machine — de centaur — was lange tijd sterker dan machine alleen. Maar in 2017 bewees AlphaZero dat de machine prima zonder menselijk hoofd kan. Overal, zo stellen de pessimisten, verschuift het patroon: eerst versterkt de machine de mens, dan vervangt zij hem. De programmeur bevindt zich nu in de centaur fase, werkend met AI als copiloot. Maar die fase is een tussenfase, geen eindstation.
Salesforce maakte begin 2025 bekend geen nieuwe programmeurs meer aan te nemen vanwege de productiviteitswinst door AI. De boodschap was luid en duidelijk: AI kan het werk doen. Waarom zou je mensen inhuren?
Waarom het pessimistische scenario niet klopt — althans niet de komende vijf jaar
Het pessimistische argument zit goed in elkaar, maar het maakt drie cruciale denkfouten.
1. Software is geen schaakspel
De vergelijking met schaken gaat mank op het moment dat je de werkelijkheid van software ontwikkeling serieus neemt. Schaken heeft 64 velden, vaste regels en een objectieve winnaar. Software leeft in de rommelige werkelijkheid van menselijke behoeften, veranderende wetgeving, organisatorische politiek, legacy-systemen en ethische afwegingen.
Kan AI code genereren? Absoluut. AI kan zelfs regelgeving doorgronden, UX-principes toepassen en klantprofielen analyseren — dat zijn taken waar AI verrassend goed in is. Maar software bouwen is meer dan de som der delen. Het is de directeur die op maandagochtend besluit dat de strategie omgaat en dat het systeem dat net live ging nu anders moet werken. Het is de klant die belt met een claim die in geen enkel processchema past, maar waar toch een oplossing voor moet komen. Het is het moment waarop twee systemen die allebei perfect werken, samen onvoorspelbaar gedrag vertonen omdat niemand voorzag dat ze tegelijk zouden draaien.
Dit zijn geen randgevallen. Dit is het dagelijks werk van softwareontwikkeling. En het is precies het soort werk waar AI het verst van verwijderd is.
2. De bottleneck verschuift, maar verdwijnt niet
Het idee dat AI zowel de efficiëntie als de extra productie kan leveren klinkt logisch, maar negeert de realiteit van softwareontwikkeling in 2026. AI-gegenereerde code moet worden beoordeeld, getest, beveiligd, geïntegreerd, onderhouden en uitgelegd aan stakeholders. Uit onderzoek blijkt dat 46 procent van de ontwikkelaars AI-output niet volledig vertrouwt (opent in nieuw venster), en dat langere debug tijden de verwachte snelheidswinst soms volledig tenietdoen.
De bottleneck verschuift van code typen naar code beoordelen. Van schrijven naar orkestreren. Maar die verschuiving maakt de menselijke ontwikkelaar niet overbodig — het verandert wat de menselijke ontwikkelaar doet. En voor dát werk — architectuur, kwaliteitsborging, systeemintegratie, beveiligingsaudits — is niet minder maar méér expertise nodig.
BCG en Deloitte bevestigen dit: 74 procent van de bedrijven worstelt met het opschalen van AI-waarde (opent in nieuw venster), niet vanwege technische beperkingen, maar vanwege mensen en processen. De menselijke capaciteit voor specificatie, evaluatie en integratie is de bindende restrictie geworden. Niet de capaciteit om code te genereren.
3. Het Salesforce-argument is een uitzondering, geen trend
Wanneer één groot techbedrijf aankondigt geen programmeurs meer aan te nemen, haalt dat de krantenkoppen. Maar één zwaluw maakt nog geen zomer. Salesforce is een volwassen SaaS-bedrijf met een afgerond product portfolio. Hun situatie is niet representatief voor de duizenden scale-ups, middelgrote bedrijven, overheidsinstanties en zorginstellingen die schreeuwen om ontwikkelcapaciteit.
De bredere data vertelt een ander verhaal. De wereldwijde markt voor custom software ontwikkeling groeit met 23 procent per jaar. De totale softwaremarkt is in 2025 570 miljard dollar waard (opent in nieuw venster) en koerst af op meer dan 1 biljoen in 2030. Het U.S. Bureau of Labor Statistics projecteert een groei van 15 procent in softwareontwikkelaars banen tot 2034. Dit zijn geen cijfers die passen bij een beroep dat op het punt staat te verdwijnen.
De onverzadigbare honger naar software
Dijkgraaf beschrijft in zijn column hoe intelligentie een 'metagrondstof' is die bij alles gebruikt wordt, zonder natuurlijke bovengrens aan de vraag. Datzelfde geldt voor software, en misschien nog sterker.
Vandaag de dag heeft misschien vijf procent van alle potentiële softwareprojecten het daglicht gezien. Elk klein bedrijf zou een op maat gemaakt klantsysteem willen. Elke school zou eigen educatieve apps willen. Elke huisartsenpraktijk heeft specifieke workflows die schreeuwen om digitalisering. Elke verzekeraar zou graag voor elk niche-product een gestroomlijnd online verkoopproces bouwen. Het is niet gebeurd omdat software bouwen (opent in nieuw venster) te duur, te complex en te tijdrovend was.
AI verandert die economie fundamenteel. Wanneer een team dat voorheen drie maanden nodig had voor een project, datzelfde project nu in zes weken kan opleveren, dan daalt niet de vraag naar dat team. Dan verdubbelt het aantal projecten dat management goedkeurt. De backlog krimpt niet — de doorvoersnelheid stijgt, en daarmee stijgt het ambitieniveau.
De democratisering van software — en waarom dat méér programmeurs vergt
Er is nog een dimensie die de pessimisten over het hoofd zien. AI verlaagt niet alleen de productiekosten van software — het verlaagt de drempel om software te wíllen. Low-code platforms en AI-assistenten maken het mogelijk voor niet-technische professionals om eenvoudige applicaties te bouwen. Gartner voorspelt dat de low-code markt in 2026 bijna 45 miljard dollar waard zal zijn. Tegen 2026 zal 80 procent van de gebruikers van low-code tools buíten IT-afdelingen zitten.
Op het eerste gezicht lijkt dit slecht nieuws voor programmeurs. Als iedereen kan bouwen, wie heeft er dan nog een professional nodig? Maar de geschiedenis leert het tegenovergestelde. Toen WordPress het bouwen van websites democratiseerde, verdwenen webontwikkelaars niet. Er kwamen er meer. Omdat miljoenen mensen ontdekten dat een website hebben waardevol was, en vervolgens ontdekten dat een goéde website meer vereist dan een template.
Hetzelfde zal gebeuren met AI-gegenereerde software. Bedrijven die met low-code tools een eerste versie bouwen, ontdekken al snel dat ze schaalbaarheid nodig hebben, integratie met bestaande systemen, beveiliging die voldoet aan de AVG, en performance die hun groeiende klantenbestand aankan. Op dat moment bellen ze een professionele ontwikkelaar. De democratisering creëert vraag — ze vernietigt die niet.
De centaurfase is geen tussenfase
Dijkgraaf beschrijft het fenomeen van de centaur — de combinatie van mens en machine — als een mogelijk tijdelijk stadium. De pessimisten wijzen erop dat AlphaZero de menselijke schaker uiteindelijk helemaal niet meer nodig had. Maar software is geen gesloten systeem met vaste regels. Software is een levend artefact dat continu moet worden aangepast aan een veranderende wereld.
Nieuwe Europese regelgeving zoals de AI Act en de Digital Services Act vereisen voortdurende aanpassingen aan bestaande systemen. Cyberdreigingen evolueren dagelijks. Klantbehoeften verschuiven met generaties. Bedrijfsfusies vereisen systeemintegraties. En de menselijke context — de kennis van een specifiek domein, een specifieke organisatie, een specifieke klant — is precies wat AI mist.
De radioloog van Dijkgraaf verdween niet toen de CT-scan kwam. De accountant verdween niet toen de spreadsheet kwam. De fotograaf verdween niet toen de smartphone kwam. In al deze gevallen groeide de beroepsgroep omdat de technologie het vakgebied toegankelijker en relevanter maakte. De programmeur is de volgende in deze rij.
Wat wél verandert, is de aard van het werk. De programmeur van 2030 zal minder regels code typen en meer tijd besteden aan architectuur, kwaliteitsborging, domeinkennis en gebruikerservaring. Het beroep verschuift van ambacht naar regie. Maar regie vereist diepgaand begrip van het vakgebied — je kunt geen orkest dirigeren als je geen noot kunt lezen. En juist dat diepgaande begrip is schaars.
Het Nederlandse perspectief: digitalisering is nog lang niet af
Voor wie denkt dat het tekort aan programmeurs een Amerikaans probleem is: driekwart van de Europese bedrijven worstelt met het vinden van IT-talent. In de EU dreigt tegen 2030 een tekort van meer dan acht miljoen ICT-professionals. In Nederland specifiek zien we dat de digitale transformatie van sectoren als zorg, overheid, onderwijs en financiële dienstverlening nog verre van voltooid is.
De Nederlandse verzekeringsbranche, de sector die ik het beste ken, is illustratief. Veel processen draaien nog op legacy-systemen die tientallen jaren oud zijn. De klant verwacht een naadloze digitale ervaring zoals bij Coolblue of Bol, maar krijgt formulieren die doen denken aan 2005. De regulering wordt steeds complexer: Solvency II, DORA, de AI Act, Wft-aanpassingen — elk met eigen digitale implicaties. En ondertussen groeien de verwachtingen: real-time schadeafhandeling, gepersonaliseerde premieberekening, chatbots die écht helpen.
Al dit werk vereist ontwikkelaars. Ontwikkelaars die de domeinkennis hebben om verzekeringslogica te begrijpen. Ontwikkelaars die de regulering kennen. Ontwikkelaars die legacy-systemen kunnen koppelen aan moderne API's. AI kan hen helpen sneller te werken, maar AI kan hen niet vervangen — want AI begrijpt niet waarom artikel 7:932 BW bepaalt dat een verzekeraar dekking moet verlenen, tenzij er sprake is van eigen schuld. Dát soort kennis zit in hoofden, niet in modellen.
Vijf jaar vooruit: meer programmeurs, ander werk
Laat ik een concrete voorspelling doen. De komende vijf jaar — tot 2031 — zal het totale aantal werkzame programmeurs wereldwijd niet dalen. Het zal stijgen. Niet omdat AI faalt, maar omdat AI slaagt.
De redenering is als volgt. AI maakt softwareontwikkeling goedkoper. Goedkopere software verlaagt de drempel voor bedrijven om digitale projecten te starten. Meer projecten leiden tot meer vraag naar mensen die die projecten kunnen begeleiden, beoordelen, beveiligen en onderhouden. Ondertussen worden de bestaande backlogs versneld weggewerkt, waardoor er ruimte ontstaat voor de projecten die jarenlang bleven liggen. En achter dáár wachten de projecten die niemand ooit durfde te dromen, maar die door AI plotseling haalbaar zijn geworden.
Atlassian's interne data toont dat ontwikkelaars slechts 16 procent van hun werkweek besteden aan daadwerkelijk coderen. De rest gaat naar coördinatie, debugging, testen, deployment en documentatie — precies de gebieden waar AI nu versnelling biedt. Maar die versnelling elimineert die stappen niet. Ze vermenigvuldigt het aantal cycli dat teams kunnen draaien. En meer cycli betekent meer ambitie, meer projecten, meer werk.
LinkedIn's Emerging Jobs Report 2025 bevestigt dit: de vraag naar AI-vaardige software-engineers is met bijna 60 procent per jaar gestegen. Er is een salariumpremie van 15 tot 25 procent voor ontwikkelaars die bedreven zijn in AI-frameworks en -orkestratie. Dit zijn niet de signalen van een stervend beroep. Dit zijn de signalen van een beroep in transformatie.
Wat wel verandert — en hoe we ons moeten voorbereiden
Ik wil hier niet de indruk wekken dat er niets verandert. Er verandert enorm veel. De programmeur van 2031 is een fundamenteel ander soort professional dan de programmeur van 2021. Laat me eerlijk zijn over wat er wél verschuift.
Ten eerste: de instap wordt moeilijker en makkelijker tegelijk. Makkelijker, omdat AI-tools de leerdrempel verlagen en junior developers sneller productief maken. Moeilijker, omdat bedrijven voor 'eenvoudig' codeerwerk steeds vaker naar AI grijpen, waardoor de entry-level posities waar je vroeger het vak leerde, onder druk staan. Dit is een reëel probleem. Als we niet oppassen, ontstaat er een gat tussen de AI-vaardige senior ontwikkelaar en de junior die nooit de kans krijgt om senior te worden.
Ten tweede: het zwaartepunt van het vak verschuift. Van code schrijven naar systemen ontwerpen. Van syntax kennen naar domeinen begrijpen. Van individueel programmeren naar AI-output orkestreren en valideren. De programmeur wordt, in de woorden van Dijkgraaf, een centaur — en dat vereist andere competenties dan wat de meeste opleidingen nu onderwijzen.
Ten derde: de productiviteitswinst is niet gelijk verdeeld. Senior ontwikkelaars profiteren meer van AI-tools dan juniors, omdat zij beter kunnen beoordelen of de output van AI correct en veilig is. Dit versterkt de bestaande schaarste aan ervaren talent. De 'structural polarization' die analisten signaleren — meer juniors die solliciteren, minder seniors die beschikbaar zijn — wordt door AI eerder versterkt dan opgelost.
Een nuance die de doemdenkers missen
Het debat over AI en programmeurs wordt te vaak gevoerd in absolute termen. 'AI vervangt programmeurs' versus 'programmeurs zijn onvervangbaar'. De werkelijkheid is genuanceerder en interessanter dan beide posities suggereren.
De paradox van Jevons leert ons dat efficiëntie en vraag hand in hand gaan. Maar Jevons leert ons óók dat de aard van het werk verandert bij elke technologische sprong. De mijnwerker van 1900 was een ander beroep dan de mijnwerker van 1800. De fotograaf van 2024 is een ander beroep dan de fotograaf van 1970. En de programmeur van 2031 zal een ander beroep zijn dan de programmeur van 2021.
Wat gelijk blijft, is dit: zolang er menselijke problemen zijn die een digitale oplossing vereisen, zolang er een kloof bestaat tussen wat organisaties willen en wat hun systemen kunnen, zolang er wetten veranderen en markten verschuiven en klanten veeleisender worden — zo lang is er werk voor mensen die begrijpen hoe je technologie inzet om die problemen op te lossen.
Die mensen noemen we nu programmeurs. Over tien jaar noemen we ze misschien AI-architecten, systeemontwerpers of digitale ingenieurs. Maar het werk verdwijnt niet. Het transformeert. En in die transformatie zit, voor de komende vijf jaar, geen krimp maar groei.
De echte les van Jevons
Dijkgraaf eindigt zijn column met de observatie dat er altijd iets overblijft wat alleen een mens kan: oordeelsvermogen, het moeilijke gesprek, verantwoordelijkheid nemen. Ik zou daar één ding aan toe willen voegen: verbeeldingskracht. Het vermogen om te zien wat er nog niet is, en je voor te stellen hoe het zou kunnen zijn.
Die verbeeldingskracht is precies wat achter elke backlog schuilgaat. Achter elke wens die 'te duur' was. Achter elk idee dat bleef liggen. AI maakt het nu mogelijk om die verbeelding te realiseren — sneller, goedkoper, toegankelijker dan ooit. Maar de verbeelding zelf, het begrijpen van het probleem, het vertalen van een menselijke behoefte naar een elegante digitale oplossing — dat blijft mensenwerk.
De gouden eeuw van de programmeur is niet voorbij. Ze begint nu pas. Want de paradox van Jevons leert ons één ding boven alles: hoe meer we kunnen, hoe meer we willen. En wie dat 'willen' vertaalt naar werkende systemen? Dat blijven programmeurs. Meer dan ooit. En in elk geval de komende vijf jaar zal dat niet veranderen — niet omdat de technologie dat niet kan, maar omdat de wereld er simpelweg nog niet klaar voor is om het zonder hen te doen.
